Peperstraat 18
Gemeentelijk monument, chaletstijl.
Woonhuis. Sinds 1932 winkel met bovenwoning. Ontworpen door gemeentearchitect Jb. Faber in opdracht van H.G. Oud Pz. Datering: 1900.
Het pand heeft een rechthoekige plattegrond en telt twee bouwlagen en een zolderverdieping voorzien van een plat dak en een voor- en achterschild gedekt met respectievelijk bruingeglazuurde muldenpannen en zwarte geglazuurde Hollandse pannen.
De voorgevel (ZO) is boven een hardstenen plint opgetrokken in oranjerode verblendsteen in staand verband met snijvoeg.
Het metselwerk wordt verlevendigd door koppen van oranjegele verblendsteen in de risalerende muurdammen. De laatste zijn bovenin de begane grond voorzien van gotisch aandoende consoles en ter hoogte van de eerste verdieping van afgeschuinde hoeken.
Links op de begane grond bevindt zich een winkeldeur waarboven achtereenvolgens een houten luifel afgehangen aan een smeedijzeren staaf met siermotief, een drieruits bovenlicht, een latei van afwisselend kraagsteentjes en gele verblendsteen, en een boogvulling van gele en oranjerode verblendsteen. De deur heeft een deuromlijsting van oranjegele profielsteen die bovenaan afgesloten wordt door een segmentboog.
Rechts van de winkeldeur bevindt zich een (oorspronkelijk driedelig) liggend venster waarboven een aan twee staven als genoemd afgehangen rechthoekige luifel en een driedelig bovenlicht bestaande uit een vierruits raam tussen tweeruits ramen. Onderin de muurdam tussen de deur en het venster is een hardstenen eerste steen ingemetseld met in opliggende letters de volgende tekst: “DE EERSTE STEEN/ GELEGD DOOR/ G.K. OUD HZ./ OUD 5 JAAR/12 MEI 1900”.
De eerste verdieping heeft links een schuifvenster met een vieruits bovenlicht en een omlijsting als rond de winkeldeur, en rechts een driezijdige erker met een borstwering van vakwerk, hierop een middenraam met drieruits bovenlicht en ter weerszijden een smaller zijraam met tweeruits bovenlicht, en bovenaan een lijstgoot op geprofileerde klossen. Boven de erker bevindt zich een lage, enigszins risalerende topgevel waarin een driedelig zoldervenster voorzien van een vast raam tussen openslaande zijramen.
Het overstekende zadeldak boven de topgevel snijdt haaks in op het voorschild. Links van de topgevel heeft het voorschild een ruim overstek rustend op drie balken met geprofileerde uiteinden. De muurdam links hiervan steekt boven het dakoverstek uit. Zowel het linker verdiepingsvenster als het venster op de begane grond is voorzien van een hardstenen lekdorpel. De roeden in alle bovenlichten van de voorgevel zijn bewerkt in de vorm van een kolonet.
De zijgevels worden door de buurpanden aan het oog onttrokken. De achtergevel (NW) is opgetrokken in rode machinale waalsteen in kruisverband met snijvoeg en op de begane grond voorzien van een ondiepe serre met plat dak. Hierin bevindt zich een door zijlichten met tweeruits bovenlicht geflankeerd stolpraam waarboven een zesruits bovenlicht.
De eerste verdieping heeft links een vernieuwde dubbele balkondeur met dezelfde zij- en bovenlichten en daarboven een segmentboog en boogvulling van oranjerode en gele verblendsteen. Rechts is de eerste verdieping voorzien van twee driedelige glas-in-loodramen boven elkaar met daartussen siermetselwerk van oranjerode en gele verblendsteen.
De achtergevel wordt afgesloten door een tussen uitgemetselde hoekpilasters aangebrachte lijstgoot rustend op kwartronde gootklossen waaronder uitkragende verblendsteentjes.
Het pand is van algemeen belang uit architectuur- en cultuurhistorisch oogpunt als grotendeels gaaf bewaard gebleven woonhuis uit 1900, opgetrokken in chaletstijl. Tevens is het pand van belang als karakteristiek werk uit het oeuvre van gemeentearchitect Jb. Faber.

